maandag 14 maart 2011

Huizense in Kuala Lumpur: De Dato'


(uit De Gooi- en Eemlander van zaterdag 12 maart)
Sinds vorige week zaterdag ben ik officieel één van de vrijwillige gidsen in het Muzium Negara (het Nationaal Museum) hier in Kuala Lumpur. Vanaf september heb ik wekelijks les gehad in de geschiedenis van Maleisië en de achtergronden van de grootste bevolkingsgroepen. Fascinerend – niet in het minst omdat wij Nederlanders hier toch ook 200 jaar de baas hebben gespeeld. Vanaf nu geef ik dus minstens één rondleiding per maand, in het Engels of, op speciaal verzoek, in het Nederlands.
Een heugelijk feit dat gevierd moest worden, vond ook het bestuur van het museum. En dus werden wij met alle andere kersverse gidsen zaterdag ontboden in het auditorium van het museum, voor een heuse diploma-uitreiking. Ze hadden er een prachtig spektakel van gemaakt: de pers was vertegenwoordigd, er waren danseressen, er was een demonstratie kokosnoot malen… Maar het belangrijkste was toch wel dat de directeur van de Maleisische musea, Dato’ Ibrahim Bin Ismail, de diploma’s kwam uitreiken.
Ik had de goede man nog nooit gezien, maar nog voor hij binnenkwam was al duidelijk hoe Belangrijk hij was. Omdat de zaal niet vol genoeg was, werd er nog even een schoolklas naar binnen gewerkt – je zet een Dato’ blijkbaar niet voor een paar lege stoelen. Ik moest er een beetje om lachen. Zou je zien dat we ook nog moesten opstaan als hij binnen kwam! Nou: ja, dus. Staan moesten we, net zo lang tot de Dato’, een klein, pezig, oud mannetje, gebaarde dat we rustig mochten gaan zitten. De lokale aanwezigen konden niet vriendelijk genoeg glimlachen of diep genoeg knipscheren… en ik voelde me hoe langer hoe Nederlandser worden. Doe toch gewoon….
Inmiddels heb ik me er een beetje in verdiept, en het blijkt dat Dato helemaal geen hoge titel is. Er gaat hier zelfs het gezegde: ‘Als je een steen gooit in Maleisië, is het heel moeilijk om géén Dato te raken’. De titel wordt net als onze lintjes vergeven door de Sultans (Maleisië is een federatie en negen staten binnen die federatie hebben als staatshoofd een Sultan) – maar het schijnt dat je daar niet veel meer voor hoeft te doen dan een succesvol zakenman zijn. Sterker nog: je kunt het Dato’-schap ook kopen. Daarom vragen Dato’-kenners ook altijd uit welke staat je titel komt. Want de ene Dato’ is duidelijk de andere niet.
Met onze Dato’ zit het blijkbaar wel goed. Deze week ontmoette ik hem nog een keer. Hij blijkt wel heel erg betrokken bij het museum en maakt zich hard voor verbeteringen. Het lijkt meer dan alleen een erebaantje voor hem en dat valt natuurlijk te prijzen. Maar dat opstaan… Dato’s en het protocol dat bij hen hoort combineren duidelijk niet lekker met ons ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten