(uit De Gooi- en Eemlander van zaterdag 23 april)
Ik had me nog zo voorgenomen niet over het verkeer hier in KL te blijven schrijven, maar ik kan er niet langer onderuit. Ik rij al anderhalf jaar schadevrij door de stad heen, wat een wonder mag heten, want ik ben een vrouw en volgens een zeker parlementslid hier zijn vrouwen een gevaar op de weg. Ik negeer de brommertjes die met een noodvaart links en rechts langs mijn autootje razen, ik kijk niet langer op van iemand die voor een afslag besluit dat het niet de goede is en z’n auto op de snelweg doodleuk in z’n achteruit zet. Ik verbaas me niet meer over de u-turns, de slechte wegaanduidingen en de potholes en een ‘verboden te parkeren’-bord weerhoudt me er niet van mijn auto langs de kant te zetten – ook al is dat recht tegenover een politiebureau. Niks mag, alles kan.
Mijn vader, die voor het eerst op visite is, zag het deze week af en toe verbijsterd aan. Sprakeloos (en dat wil wat zeggen). Tenminste, tot gisteren. Toen worstelden we ons door de avondspits richting Central Market, mompelde hij iets als: ‘Een wonder dat het altijd goed gaat’ en moest ik fors remmen voor een zwarte auto voor me. Te fors voor de gele taxi achter me. Boem.
Een expat met een deuk in haar auto betekent één ding: geld. Dus probeerde de taxichauffeur me te overtuigen dat we helemaal geen politierapport nodig hadden. ‘We delen het!’ Hij had duidelijk niet door dat ik Nederlands ben, en niet van plan te betalen voor iets dat mijn schuld niet is. Een politieagent kwam even kijken, deed niets en reed weer weg. Voor een politierapport moet je naar het politiebureau. Er stonden drie andere mannetjes om ons heen, die allemaal aanboden mijn auto weg te slepen. Maar ik was gewaarschuwd: nooit doen, alleen door de mensen die de verzekering op je afstuurt. Die mensen kwamen, vouwden mijn gesloopte bumper een beetje op en stuurden me naar huis.
Vanmorgen zat ik om half tien bij het politiebureau. Daar mocht ik mijn eigen rapport tikken. Vervolgens moest ik een uur wachten op een handtekening van inspecteur Nazar, mocht ik voor vier ringgit een kopie van het rapport kopen en maakte een politieman nog even een paar foto’s van de schade. Over een paar dagen mag ik terug om voor tien ringgit het definitieve rapport en die foto’s te kopen. En dan maar hopen dat de taxichauffeur verzekerd is. Want als hij dat niet is… dan moet ik zelf opdraaien voor de schade. Het recht hier is krom. Het is niet anders. Maar ik blijf me er over verbazen.
zaterdag 23 april 2011
Vakantie met opa en oma
Het is alweer een tijdje geleden dat we op pad zijn geweest. Gelukkig kwamen mijn ouders én de jongens hadden vakantie, dus we konden met goed fatsoen weer op pad. Deze keer kozen we voor de Cameron Highlands omdat het daar lekker koel (25 graden) is en voor Pangkor Island omdat dat niet al te ver van de Cameron Highlands én van Kuala Lumpur is - en natuurlijk omdat we mijn ouders een Bounty-eiland hadden beloofd :-)

Dag 1: op naar de Highlands
Het voordeel van de Cameron Highlands is dus dat ze niet al te ver van Kuala Lumpur liggen. Erik kon dus nog even een dagje werken - we vertrokken pas om half vijf. De route was niet moeilijk: eerst de snelweg richting Ipoh tot Tapah en daarna is er eigenlijk maar één weg die ons via steeds meer bochtjes steeds hoger de bergen in leidde. Het was een prachtige route, met mooie uitzichten, overal watervalletjes en Orang Asli-nederzettingen. En wonder boven wonder werd er niemand wagenziek. Het eerste echte dorp dat we in de Highlands tegenkwamen, was Ringlet - wat ons ontzettend deed denken aan een Tsjechische wintersportplaats. Alleen de skilift ontbrak. En de sneeuw, natuurlijk.
Twee kilometer verderop waanden we ons helemaal niet meer in Tsjechië, maar helemaal in Engeland. Want daar troffen we ons hotel: The Lakehouse. Prachtig opgetrokken in Tudor-stijl door een oude Schotse militair, met supervriendelijk personeel. Wij sliepen in een familiekamer: de jongens hadden hun eigen kamer met twee bedden, een deurtje daarnaast vonden we ons hemelbed (!!!), een zitje met van die comfortabele Engelse stoelen, een selectie vers fruit en een badkamer met ligbad, aparte douche, kaneelzeep en shampoo, conditioner en douchegel in schattige aardewerk flesjes - tot in de puntjes verzorgd. We kregen een welkomstdrankje bij de open haard (!!!) en hebben er heerlijk gegeten. Oké, het hotel is absoluut niet goedkoop, maar je hebt er echt het gevoel dat je volledig in de watten wordt gelegd. Zalig.
Dag 2: bloemetjes en bijtjes
Een hemelbed, daar blijf je natuurlijk zo lang mogelijk in liggen. We hadden dus besloten ons pas in de middag te laten rondleiden door de highlands. De ochtend was heerlijk ontspannen en pas na een zalige lunch werden we met een busje naar de grootste plaats in de highlands gerede, waar we over moesten stappen in een ander busje, dat bij het Equatiorial Hotel nog even twee andere stellen op ging halen. Dat was een beetje jammer, vooral omdat het laatste stel meer dan een half uur op zich liet wachten. Maar goed... geduld is een schone zaak.
De eerste stop was ongeveer 50 meter van het hotel, bij één van de butterfly farms die je in de highlands kunt vinden. Daan had een oranje shirt aan en dat bleek een geweldige keuze, want de vlinders waren niet van hem af te slaan!

Stop twee was weer 50 meter verderop: een bijenhouderij deze keer. Met nogal veel trappen en steile beklimmingen, dus oma koos ervoor om rustig boven te blijven zitten en te wachten tot iedereen weer terugkwam. Gelijk had ze - echt bijster interessant was het niet. Maar daarna volgde wat het hoogtepunt van de tour bleek te zijn: de Boh theeplantage. Via een heel smal weggetje kwamen we op het enorme terrein, waar de thee nog voor een heel groot deel met de hand wordt geplukt.

De werknemers wonen in een dorpje op het terrein, waar verder nog een school is, een moskee en tempels en een kliniekje. Volgens de gids werken de mensen graag voor Boh, omdat er goed voor de werknemers wordt gezorgd - en zo zag het er ook wel uit. We kregen een rondleiding in de fabriek, zagen hoe de blaadjes gedroogd en gefermenteerd worden. Heel interessant. Daarna konden we natuurlijk thee proeven en kopen, met een geweldig uitzicht op de plantage. Prachtig, een echte aanrader!
De lucht betrok en het begon zo hard te regenen, dat het bezoek aan de rozenkwekerij letterlijk in het water viel. Jammer, want zo misten we een heel mooi uitzichtpunt (een tropische regenbui ontneemt het zicht nogal). Gelukkig kwam daarna de aardbeienkwekerij, met een heerlijke echte aardbeienmilkshake, verse aardbeien met (net geen echte) slagroom en heerlijk ijs met aardbeienjam. En toen gingen we weer terug naar het Lakehouse voor ons laatste nachtje in echte luxe...
Dag 3: Op naar Pangkor
De volgende dag moesten we jammer genoeg afscheid nemen van het Lakehouse. Dezelfde kronkelige weg gingen we weer naar beneden, nu wel met een paar stops omdat Thomas' maag het nu niet aan kon. Daarna volgde een kleine omweg, omdat we via betrouwbare bron hadden vernomen dat je in Tanjung Tualan niet te missen, heerlijke garnalen kon eten. Die omweg was trouwens ook een aanrader, want hij brengt je langs Kellie's Castle (het precieze verhaal weet ik niet, maar het kasteel werd gebouwd door ene Kellie voor zijn vrouw, die overleed voor ze er ooit kon komen wonen) en een echte tin dredge, een soort baggerschip waar ze vroeger het tin mee opgroeven. Tanjung Tualan zelf is een onooglijk stadje, waar we één onverwacht groot Chinees restaurant troffen.

De kaart was alleen in Chinees, het personeel sprak alleen Chinees, maar we hebben er zalig gegeten - en verschrikkelijk goedkoop: voor zes mensen, inclusief Chinese thee, waren we 88 rm kwijt.
Met volle buiken vervolgden we onze weg naar Lumut, waar we op de boot naar Pangkor Island stapten. Het was een tochtje van nog geen half uurtje, langs wat volgens ons een oefenschietschijfschip moet zijn geweest van de Maleisische marine, die in Lumut een basis heeft. Bij aankomst op Pangkor stond er een soort gevangenisbus op ons te wachten, die ons naar de andere kant van het eiland bracht (klinkt heftig, maar was nog geen tien minuten heel langzaam rijden) - en daar betraden we Pangkor Island Beach Resort. Onze kamer was groot genoeg om er twee bedden voor de jongens in kwijt te kunnen. Vergeleken met de luxe van het Lakehouse is het resort een beetje minder goed onderhouden, maar het was wel prima - en heerlijk om vanuit je kamer zo het prachtige strand op te kunnen lopen, waar genoeg ligbedjes waren voor iedereen en waar we getrakteerd werden op een schitterende zonsondergang...
De rest van de vakantie hebben we alleen maar gedaan wat je kunt doen op zo'n prachtige plek: relaxen, relaxen en nog eens relaxen. Kortom: prima tripje!

Dag 1: op naar de Highlands
Het voordeel van de Cameron Highlands is dus dat ze niet al te ver van Kuala Lumpur liggen. Erik kon dus nog even een dagje werken - we vertrokken pas om half vijf. De route was niet moeilijk: eerst de snelweg richting Ipoh tot Tapah en daarna is er eigenlijk maar één weg die ons via steeds meer bochtjes steeds hoger de bergen in leidde. Het was een prachtige route, met mooie uitzichten, overal watervalletjes en Orang Asli-nederzettingen. En wonder boven wonder werd er niemand wagenziek. Het eerste echte dorp dat we in de Highlands tegenkwamen, was Ringlet - wat ons ontzettend deed denken aan een Tsjechische wintersportplaats. Alleen de skilift ontbrak. En de sneeuw, natuurlijk.
Twee kilometer verderop waanden we ons helemaal niet meer in Tsjechië, maar helemaal in Engeland. Want daar troffen we ons hotel: The Lakehouse. Prachtig opgetrokken in Tudor-stijl door een oude Schotse militair, met supervriendelijk personeel. Wij sliepen in een familiekamer: de jongens hadden hun eigen kamer met twee bedden, een deurtje daarnaast vonden we ons hemelbed (!!!), een zitje met van die comfortabele Engelse stoelen, een selectie vers fruit en een badkamer met ligbad, aparte douche, kaneelzeep en shampoo, conditioner en douchegel in schattige aardewerk flesjes - tot in de puntjes verzorgd. We kregen een welkomstdrankje bij de open haard (!!!) en hebben er heerlijk gegeten. Oké, het hotel is absoluut niet goedkoop, maar je hebt er echt het gevoel dat je volledig in de watten wordt gelegd. Zalig.
Dag 2: bloemetjes en bijtjes
Een hemelbed, daar blijf je natuurlijk zo lang mogelijk in liggen. We hadden dus besloten ons pas in de middag te laten rondleiden door de highlands. De ochtend was heerlijk ontspannen en pas na een zalige lunch werden we met een busje naar de grootste plaats in de highlands gerede, waar we over moesten stappen in een ander busje, dat bij het Equatiorial Hotel nog even twee andere stellen op ging halen. Dat was een beetje jammer, vooral omdat het laatste stel meer dan een half uur op zich liet wachten. Maar goed... geduld is een schone zaak.
De eerste stop was ongeveer 50 meter van het hotel, bij één van de butterfly farms die je in de highlands kunt vinden. Daan had een oranje shirt aan en dat bleek een geweldige keuze, want de vlinders waren niet van hem af te slaan!
Stop twee was weer 50 meter verderop: een bijenhouderij deze keer. Met nogal veel trappen en steile beklimmingen, dus oma koos ervoor om rustig boven te blijven zitten en te wachten tot iedereen weer terugkwam. Gelijk had ze - echt bijster interessant was het niet. Maar daarna volgde wat het hoogtepunt van de tour bleek te zijn: de Boh theeplantage. Via een heel smal weggetje kwamen we op het enorme terrein, waar de thee nog voor een heel groot deel met de hand wordt geplukt.
De werknemers wonen in een dorpje op het terrein, waar verder nog een school is, een moskee en tempels en een kliniekje. Volgens de gids werken de mensen graag voor Boh, omdat er goed voor de werknemers wordt gezorgd - en zo zag het er ook wel uit. We kregen een rondleiding in de fabriek, zagen hoe de blaadjes gedroogd en gefermenteerd worden. Heel interessant. Daarna konden we natuurlijk thee proeven en kopen, met een geweldig uitzicht op de plantage. Prachtig, een echte aanrader!
De lucht betrok en het begon zo hard te regenen, dat het bezoek aan de rozenkwekerij letterlijk in het water viel. Jammer, want zo misten we een heel mooi uitzichtpunt (een tropische regenbui ontneemt het zicht nogal). Gelukkig kwam daarna de aardbeienkwekerij, met een heerlijke echte aardbeienmilkshake, verse aardbeien met (net geen echte) slagroom en heerlijk ijs met aardbeienjam. En toen gingen we weer terug naar het Lakehouse voor ons laatste nachtje in echte luxe...
Dag 3: Op naar Pangkor
De volgende dag moesten we jammer genoeg afscheid nemen van het Lakehouse. Dezelfde kronkelige weg gingen we weer naar beneden, nu wel met een paar stops omdat Thomas' maag het nu niet aan kon. Daarna volgde een kleine omweg, omdat we via betrouwbare bron hadden vernomen dat je in Tanjung Tualan niet te missen, heerlijke garnalen kon eten. Die omweg was trouwens ook een aanrader, want hij brengt je langs Kellie's Castle (het precieze verhaal weet ik niet, maar het kasteel werd gebouwd door ene Kellie voor zijn vrouw, die overleed voor ze er ooit kon komen wonen) en een echte tin dredge, een soort baggerschip waar ze vroeger het tin mee opgroeven. Tanjung Tualan zelf is een onooglijk stadje, waar we één onverwacht groot Chinees restaurant troffen.
De kaart was alleen in Chinees, het personeel sprak alleen Chinees, maar we hebben er zalig gegeten - en verschrikkelijk goedkoop: voor zes mensen, inclusief Chinese thee, waren we 88 rm kwijt.
Met volle buiken vervolgden we onze weg naar Lumut, waar we op de boot naar Pangkor Island stapten. Het was een tochtje van nog geen half uurtje, langs wat volgens ons een oefenschietschijfschip moet zijn geweest van de Maleisische marine, die in Lumut een basis heeft. Bij aankomst op Pangkor stond er een soort gevangenisbus op ons te wachten, die ons naar de andere kant van het eiland bracht (klinkt heftig, maar was nog geen tien minuten heel langzaam rijden) - en daar betraden we Pangkor Island Beach Resort. Onze kamer was groot genoeg om er twee bedden voor de jongens in kwijt te kunnen. Vergeleken met de luxe van het Lakehouse is het resort een beetje minder goed onderhouden, maar het was wel prima - en heerlijk om vanuit je kamer zo het prachtige strand op te kunnen lopen, waar genoeg ligbedjes waren voor iedereen en waar we getrakteerd werden op een schitterende zonsondergang...
De rest van de vakantie hebben we alleen maar gedaan wat je kunt doen op zo'n prachtige plek: relaxen, relaxen en nog eens relaxen. Kortom: prima tripje!
Huizense in Kuala Lumpur: Daar gaan ze
(uit De Gooi- en Eemlander van zaterdag 9 april)
Ik ga nog even door met het opsommen van eigenschappen die voor een expat wel heel handig zijn, maar die ik nog niet heb. Ik ben dus te ongeduldig, maar ik heb ook nog steeds een hekel aan afscheid nemen. Laat dat nou net een onlosmakelijk onderdeel van het expat-bestaan vormen! En nu zo langzamerhand de zomervakantie in zicht komt, wordt één vraag steeds vaker gesteld: ‘Wat doen jullie? Gaan jullie weg of blijven jullie?’
Wij gaan nog niet naar huis, nog lange niet. Maar veel vrienden van ons gaan wel. Naar huis: terug naar Nederland, terug naar Italië. Of naar een volgende posting. In Shanghai, bijvoorbeeld. ‘Oh, Shanghai, dat is niet zo ver weg’, roepen we enthousiast. ‘Dan kunnen we nog langskomen!’ Maar gaan we dat ook doen? Of zijn expatvriendschappen te vergelijken met de vrienden-voor-het-leven die je op de camping leert kennen – de mensen waarmee je twee weken lang zo’n beetje lief en leed deelt, waaraan je die laatste avond onder invloed van te veel bier, prosecco, sangria of lambrusco plechtig beloofd dat je elkaar gauw op komt zoeken, maar die je eigenlijk bij het drogen van de tent thuis alweer bent vergeten?
Het lijkt me niet. Expatvriendschappen zijn gek. Thuis, in Nederland, sluit je vriendschap met mensen die bij je op school zitten, met collega’s, met mensen die dichtbij wonen of met de ouders van vriendjes van je kinderen. Vriendschappen hebben tijd om rustig te groeien – soms klikt het in één keer, maar er is geen haast bij en als het niet klikt, nou ja… dan klikt het toch niet. Je hebt altijd je familie nog in de buurt.
In het buitenland is dat helemaal anders. Expatvrienden zijn niet alleen vrienden, maar ook nog een soort surrogaat-familie – en als je voor het eerst naar een vreemd land verhuist, heb je die surrogaat-familie heel hard nodig. Dat gaat niet altijd goed: soms denk je aanvankelijk dat je de perfecte nieuwe vriendin hebt gevonden, maar blijkt hij of zij bij nader inzien verschrikkelijk te zijn… en kom er dan in dat kleine wereldje maar eens van af.
En daarom kijk ik, ondanks onze fantastische vakantieplannen hier in de buurt (we gaan naar Sabah, de jungle in), niet echt uit naar de zomer. Want ik ga mijn Nederlandse, Italiaanse en Noorse vriendinnen verschrikkelijk missen. Ik ken ze nog maar net een jaar, maar ze zijn mijn familie geweest die me hebben opgevangen als het even niet leuk was, mijn vriendinnen waarmee ik fantastische avonden heb doorgebracht en mijn mede-ontdekkingsreizigers in dit vreemde maar prachtige land. Ik hoop maar dat we elkaar niet helemaal uit het oog verliezen. En ik hoop ook dat ik oog hou voor de ongetwijfeld net zo bijzondere mensen die ik hier na de zomer weer ga ontmoeten.
Ik ga nog even door met het opsommen van eigenschappen die voor een expat wel heel handig zijn, maar die ik nog niet heb. Ik ben dus te ongeduldig, maar ik heb ook nog steeds een hekel aan afscheid nemen. Laat dat nou net een onlosmakelijk onderdeel van het expat-bestaan vormen! En nu zo langzamerhand de zomervakantie in zicht komt, wordt één vraag steeds vaker gesteld: ‘Wat doen jullie? Gaan jullie weg of blijven jullie?’
Wij gaan nog niet naar huis, nog lange niet. Maar veel vrienden van ons gaan wel. Naar huis: terug naar Nederland, terug naar Italië. Of naar een volgende posting. In Shanghai, bijvoorbeeld. ‘Oh, Shanghai, dat is niet zo ver weg’, roepen we enthousiast. ‘Dan kunnen we nog langskomen!’ Maar gaan we dat ook doen? Of zijn expatvriendschappen te vergelijken met de vrienden-voor-het-leven die je op de camping leert kennen – de mensen waarmee je twee weken lang zo’n beetje lief en leed deelt, waaraan je die laatste avond onder invloed van te veel bier, prosecco, sangria of lambrusco plechtig beloofd dat je elkaar gauw op komt zoeken, maar die je eigenlijk bij het drogen van de tent thuis alweer bent vergeten?
Het lijkt me niet. Expatvriendschappen zijn gek. Thuis, in Nederland, sluit je vriendschap met mensen die bij je op school zitten, met collega’s, met mensen die dichtbij wonen of met de ouders van vriendjes van je kinderen. Vriendschappen hebben tijd om rustig te groeien – soms klikt het in één keer, maar er is geen haast bij en als het niet klikt, nou ja… dan klikt het toch niet. Je hebt altijd je familie nog in de buurt.
In het buitenland is dat helemaal anders. Expatvrienden zijn niet alleen vrienden, maar ook nog een soort surrogaat-familie – en als je voor het eerst naar een vreemd land verhuist, heb je die surrogaat-familie heel hard nodig. Dat gaat niet altijd goed: soms denk je aanvankelijk dat je de perfecte nieuwe vriendin hebt gevonden, maar blijkt hij of zij bij nader inzien verschrikkelijk te zijn… en kom er dan in dat kleine wereldje maar eens van af.
En daarom kijk ik, ondanks onze fantastische vakantieplannen hier in de buurt (we gaan naar Sabah, de jungle in), niet echt uit naar de zomer. Want ik ga mijn Nederlandse, Italiaanse en Noorse vriendinnen verschrikkelijk missen. Ik ken ze nog maar net een jaar, maar ze zijn mijn familie geweest die me hebben opgevangen als het even niet leuk was, mijn vriendinnen waarmee ik fantastische avonden heb doorgebracht en mijn mede-ontdekkingsreizigers in dit vreemde maar prachtige land. Ik hoop maar dat we elkaar niet helemaal uit het oog verliezen. En ik hoop ook dat ik oog hou voor de ongetwijfeld net zo bijzondere mensen die ik hier na de zomer weer ga ontmoeten.
Abonneren op:
Posts (Atom)