Erik moest voor zijn werk naar Ho Chi Minh City en de jongens hadden Hari Raya-vakantie (suikerfeest). Wat doe je dan? Dan ga je met z'n allen mee naar Vietnam! We kropen bij Erik in het hotel (heel sjiek: het New World Hotel) en gingen op pad.
Het leuke van Ho Chi Minh City is dat je er kunt lopen. Soms lijkt het wel een beetje op een hindernisbaan, dat wel: de stoepen staan bijna net zo vol met brommertjes als de straten en anders zitten er wel mensen met spulletjes die ze verkopen. Oversteken is een vak apart. Er liggen wel zebrapaden en er zijn stoplichten, maar daar trekt niemand zich wat van aan. Als je naar de overkant wil, dan begin je gewoon héél rustig de straat over te steken, stapje voor stapje. En dat gaat dan goed. De brommertjes wijken uit, de auto's vaak ook wel. Het lijkt een gekkenhuis, maar eigenlijk rijdt iedereen heel rustig. Als je dat weet en onder de knie hebt, zijn een heleboel bezienswaardigheden gewoon lopend te bereiken.
Dag 1: Ho Chi Minh Stad
We zijn begonnen bij de Ben Thanh Market, waar je echt alles kunt vinden wat normaal gesproken wordt gegeten, gedragen of gebruikt: kleding, groenten, kruiden, koffie, snoepjes, varkensoren... Hoewel er in de Lonely Planet staat dat je hier hard moet afdingen, omdat de prijzen hoger liggen dan elders is dat ons niet gelukt. In de winkeltjes wordt een officiële boekhouding bijgehouden. Daarna staken we de gigantische rotonde over (heeeeeeel voorzichtig). Niet ver van de markt ligt namelijk het Fine Arts Museum, in een prachtig geel, wit gebouw. Het bekijken is een beetje behelpen, er staat weinig uitleg bij, maar het is wel bijzonder om te zien, vooral de politiek correcte kunst op de tweede verdieping.
Een ijsje later hobbelden we weer over straat, kochten twee prachtige schilderijen bij één van de vele galerietjes, maar toen raakten we een beetje de kluts kwijt. Dat werd natuurlijk meteen opgepikt door een paar heren op 'cyclo', die ons best naar het War Remnants Museum wilden brengen. Dat museum is een must. Hoewel wel vreselijk subjectief en af en toe irritant propagandistisch laat dit museum als geen ander zien hoe nutteloos en verschrikkelijk oorlog is. Speciale aanrader: de bijzondere expositie op de derde verdieping, Requiem Exhibition, een verzameling foto's van fotografen die in veel gevallen zelf de wat ze hier noemen Amerikaanse Oorlog niet hebben overleefd. Een groter contrast met het vredige hotel-zwembad kun je eigenlijk niet bedenken - maar lekker was dat wel.
Dag 2: de Mekong Delta
De volgende dag stond ons eerste tochtje op het programma (geboekt bij Sinhbalo Adventures, niet de goedkoopste, maar wel een aanrader): naar de Mekong Delta. We bleken maar met z'n drietjes (altijd fijn)! De tocht naar My Tho was lang, maar er is genoeg te zien onderweg: de typische vrouwtjes met hun hoedjes in de rijstvelden, de graven die midden in diezelfde rijstvelden staan, de restaurantjes langs de weg, waar je even lekker in een hangmat kunt relaxen... In My Tho wachtte onze boot, met rotan-strandstoelen. We voeren over de Mekong, langs de floating fish farms, voor we voor een kopje thee en vers fruit aanlegden bij een fruitkwekerij. Daarna volgde een tochtje door de kanalen, met heel veel modderkruipertjes, prachtige vlinders en rust. De volgende stop was de plek waar ze coconut candy maken. Zoals onze gids al zei: alles in Vietnam wordt gerecycled en dus wordt ook de hele kokosnoot gebruikt: de buitenkant om een vuurtje te maken, het uitgeperste vlees wordt veevoer en de melk uiteindelijk een soort toffee. En toen stond diezelfde gids ineens voor m'n neus met een fles vol slangen. En een klein glaasje erbij... Slangenwijn. Goed voor je gewrichten - en dat spreekt de Vietnamezen in de Mekong Delta erg aan, aangezien die een groot deel van de dag voorovergebukt in de rijstvelden staan. Drie glaasjes slangenwijn per dag en het komt helemaal goed met je rug - geloven ze...
De lunch was heerlijk, de tocht over de Mekong terug en precies toen we in ons busje zaten, barstte de tropische regenbui los, dus al met al een prima dag.
Dag 3: Ho Chi Minh Stad
De taxichauffeur zette ons af bij weer een prachtig Frans koloniaal gebouw: het History Museum, gebouwd in 1929. Een zowaar logische route leidde ons via de prehistorie en de Bronstijd naar de verschillende dynastieën. Wonderbaarlijk genoeg ontbreekt de periode waarin de Fransen Vietnam als een onderdeel van Indochina overheersten compleet, maar wel duidelijk is dat voor die grote oorlog met Amerika Vietnam al het toneel was van talloze veldslagen met Chinezen, Cambodianen en Mongolen.
Aan de overkant konden we nog even een blik werpen in de Temple of King Hung Vuong, voor we naar links afsloegen, de botanische tuinen en vooral de dierentuin in. Ervaringen in Kuala Lumpur en Melaka hebben ons al wel geleerd dat we de dierentuinen hier vooral niet moeten vergelijken met die in bijvoorbeeld Emmen (met als positieve uitzondering de dierentuin van Singapore). De verblijven van de giraffen en de herten maken wel duidelijk dat ze hard proberen zichzelf te verbeteren, maar de gibbons en de urang utans moeten het nog steeds doen met een veel te klein hokje. Ook bijzonder: in het hok waarin drie grote pythons waren gehuisvest, liep een heel gezellig caviaatje rond. Zo eentje die wij in Nederland als huisdier hebben. Nu weten we heus wel dat pythons geen vegetariërs zijn, maar ik vond dit ook wel weer een beetje zielig...
De volgende stop (na weer een paar bijzonder spannende oversteek-momenten) was de Jade Emperor Pagoda - een juweeltje, zo verstopt in een steegje dat je er voorbij loopt als je niet heel erg oplet. De jongens waren vooral onder de indruk van de honderden schildpadden die daar om de één of andere reden in een vijver werden gehouden - op verschillende schilden waren teksten geschreven die wij natuurlijk absoluut niet konden ontcijferen, een heel bijzonder gezicht. Binnen was het kleurrijk, het houtsnijwerk is prachtig en de wierrook bijna adembenemend. Erg, erg mooi.
En toen wisten we zowaar helemaal zelf de weg terug naar ons hotel!
Dag 4: de Cu Chi Tunnels
Op de laatste dag gingen we nog even met de gids mee naar een plek ten noordwesten van de stad, Ben Dinh. Daar zijn de Cu Chi Tunnels, waar ooit de Vietcong guerrillas leefden, vochten en in heel veel gevallen ook stierven. Het tunnelnetwerk werd in de jaren zestig legendarisch omdat het zorgde dat de Vietcong een gebied kon controleren dat slechts dertig tot veertig kilometer van Saigon lag. Het netwerk bestond uit meer dan 250 kilometer tunnel - er waren plekken om te wonen, opslagruimten, ziekenhuisjes, wapenfabriekjes... en dat allemaal ondergronds. De tunnels maakten verrassingsaanvallen mogelijk en zorgden dat de guerrillas spoorloos konden verdwijnen. Dat vonden de Amerikanen (en de Zuid-Vietnamezen) natuurlijk niet prettig - en zo werd het gebied uiteindelijk volledig plat gebombardeerd, gebuldozerd en bestookt met chemicaliën, benzine en napalm.
Het bezoek aan die tunnels - waar Erik en ik absoluut niet inpasten, alleen Thomas en Daan konden er redelijk in en uit - was ontzettend indrukwekkend. Met de nadruk op ontzettend, omdat ook hier ineens weer even heel duidelijk werd dat Vietnam misschien niet economisch, maar wel politiek nog steeds communistisch is. Bij het filmpje over de strijders klonk triomfantelijke marsmuziek - bij het tonen van de meest verschrikkelijke vallen die werden opgezet voor de vijand, maar ook bij het vertellen over hoeveel slachtoffers er aan de Vietcong-kant waren gevallen (van de 16000 strijders overleefden maar 6000 de oorlog). Tja... Onze gids bleek een oudstrijder van de Zuid-Vietnamezen en leek oprecht opgelucht dat wij niet stonden te springen om een paar rondjes te vuren op de schietbaan. Daar hadden we echt geen zin in.
En zo kwamen we terug in Ho Chi Minh, aten nog wat pho (noodle soup) bij het restaurant waar Bill Clinton in 2000 ook heeft gegeten en pakten onze spullen. Wat een indrukken hebben we mee naar huis genomen! Zoveel moois en zoveel naars. Een heel bijzondere stad.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten