Dag 1: op weg
En toen vertrok het vliegtuig ineens toch wat vroeger dan we dachten en moesten we nog haasten om alles ingepakt te krijgen. Gelukkig stond er geen file op weg naar het vliegveld (hadden we wel op gerekend in verband met Chinees Nieuwjaar) en kon Erik zowaar nog een parkeerplek op loopafstand vinden.
Tot op het laatste moment bleef het spannend welke gate we zouden krijgen. Maar het viel mee: met slechts 25 minuten vertraging vertrokken we naar Banda Aceh, Sumatra.
We hadden prachtige pasfoto's laten maken, met een rode achtergrond, want volgens het bordje bij de fotograaf was dat een vereiste voor een Indonesisch visum. Maar de foto's hadden we niet nodig, alleen een biljet van 100 Amerikaanse dollars.
Meteen bij het uitlopen van het vliegveld bleek Banda Aceh duidelijk anders dan KL. Kleiner, natuurlijk, laag, maar vooral: wat trokken we weer een bekijks!
Taxichauffeur Dede stond op ons te wachten. En al heel gauw begon hij over waar wij niet naar durfden te vragen: de tsunami. Banda Aceh behoort tot een van de zwaarstgetroffen gebieden: we hebben schattingen gehoord van tussen de 60.000 en 125.000 mensen die zijn verdronken en/of nog steeds zijn vermist. We kwamen langs een gigantische koepel die door de vloedgolf twee kilometer werd meegesleurd vanaf het gebouw waarop hij aanvankelijk stond. Dede's familie is gereduceerd tot hemzelf en zijn vader en moeder. De rest, inclusief zijn vrouw en twee kinderen, is allemaal dood.
Het hotel (Landing) staat aan de rivier. Het water kwam hier tot de eerste verdieping, maar daar zie je nu niks meer van. Er zijn veel muggen en het is heel basic, maar de bedden zijn goed en de airco werkt. Ook anders dan in KL: de mensen spreken hier veel minder Engels. We kunnen wel leuk Nederlandse woorden uitwisselen (brandweerspuit, doorsmeren, kantoor, apotheek). Erik wordt bapa genoemd, ik ibu (en volgens mij betekent dat moeder).
Freddie, de eigenaar van het resort op Pulau Weh waarnaar we op weg zijn, heeft voor ons een tafel gereserveerd in zijn Italiaanse restaurant. Dede bracht ons erheen. Wij verwachtten in down town BA terecht te komen, maar in plaats daarvan reed hij een donker steegje in, een nog donkerder straatje door en hij stopte bij een stil gebouw, waaruit dan wel weer echte Italiaanse geuren kwamen. Er zat niemand binnen, dus wij grapten nog dat ze wel blij zouden zijn met ons. Maar we werden doorgestuurd naar boven, de trap op. En uiteindelijk kwamen we op een gezellig dakterras met kaarsjes, lichtjes en Italiaanse muziek. We hebben heerlijk gegeten. Nu slapen de jongens in de kamer naast ons. En wij hier. Morgen gaan we naar Pulau Weh!
Dag 2: welkom op Pulau Weh
Redelijk geslapen, geplaagd door muggen (vooral Thomas) en de gebedsoproep die voor dag en dauw uit de talloze moskeeën opklonk. Het ontbijt was lokaal: kleine banaantjes en nasi lemak, maar dan zonder de gedroogde kleine visjes die er in Maleisië altijd bij horen. Op de weg langs ons reed heel Banda Aceh voorbij, op spiksplinternieuwe brommertjes of in bijzondere bussen met alle deuren open. Aan de overkant van de weg, iets boven de rivieroever, moest een niet al te indrukwekkend dijkje, aangelegd door Japanners, de stad tegen een volgende tsunami beschermen.
Dede stond voor ons klaar toen we beneden kwamen en bracht ons naar de veerboot. We reden dwars door tsunami-gebied, met veel huizen en winkels in aanbouw, hier en daar geknakt beton en uiteindelijk het massagraf voor de slachtoffers.
Er stond een rij bij de kassa. Veel witte gezichten, allemaal onderweg naar Pulau Weh. Een Italiaanse reiziger vertelde ons dat de snelle ferry het vandaag niet deed. De langzame boot zou er niet alleen twee keer zo lang over doen, maar ook nog eens tweeënhalf uur later vertrekken... Hij had gelijk, maar op de één of andere manier maakte dat niet veel uit. We hoefden niets, we konden niets en we lieten het allemaal over ons heen komen.
De boot die uiteindelijk kwam, zag er uit als zo eentje uit de krant, zo eentje van een ongeluk waarbij helaas ook een aantal Europese toeristen zijn omgekomen. Ik vraag me dan altijd af: wat hebben die mensen daar dan ook te zoeken? Maar nu zaten we er dus toch op. We zochten een plekje op het dek, vlakbij de reddingsboten en in de volle zon. We zijn dus niet verdronken, maar wel verbrand.
BA was anders dan KL en Pulau Weh is weer heel anders dan BA: een eiland vol jungle, kleine hutjes, geiten op straat en mannen in busjes die allemaal Freddie kennen. De tassen van de toeristen werden zonder omhaal op het dak gebonden als ze niet meer in de busjes pasten, een naar eigen zeggen 15-jarige jongen (kleiner dan Daan) stond op z'n gemakkie te roken en toen vertrokken we.
Freddie's Placeligt in Santai Sumur Tiga, waar het eiland Weh opkomt uit de Straat van Melaka. Het strand is niet groot (kwam door de storm, bleek toen we bijna weggingen), maar ligt een paar meter loodrecht onder onze eco-bungalow, gemaakt van rotan matten, een dak van palmbladeren en heel veel hout. We hebben wel een douche, een watertank en twee fans. De ene op het plafond doet het alleen niet, omdat hij wordt tegengehouden door een balk die het huisje staande moet houden. Onze achterburen hebben een haan. We hebben het mooiste uitzicht ooit: de zee, omlijst door palmbomen.
De rest van de middag hebben we in strandstoelen gezeten en onder het genot van een biertje (Pulau Weh is islamitisch, dus je kunt niet overal bier krijgen - maar wel bij Freddie) gekeken naar de jongens die in de golven en met kokosnoten aan het spelen waren. Toen de wind aanzette en het donker werd, hebben we heerlijk gegeten. Daarna vielen we, met z'n viertjes in ons huisje, in slaap.
Dag 3: op de brommer het eiland rond
Wakker van de golven en de haan van de buren. Helaas: de zon had een vrije dag. Dat maakte het uitzicht niet minder magnefiek, maar een stranddag was het zeker ook niet. Eerst maar eens ontbijten. Er stond een buffet klaar met vanalles: vers fruit, gekookt ei, een soort quiche, worst, kaas... lekker hoor. Intussen krantje geladen op de iPad en de jongens wat huiswerk laten doen - vakantie is natuurlijk ook maar een betrekkelijk begrip. Toen ze daarmee klaar waren, ging Erik even met de mannen boven op onderzoek uit en hij kwam terug met een briljant plan: we gaan brommertjes huren!
Zo gezegd, zo gedaan. Voor 100.000 rupia per dag heb je een brommertje tot je beschikking, dus voor de prijs hoefden we het niet te laten. Het was alleen wel twintig jaar geleden dat ik op het snorfietsje van mijn moeder had gereden, dus ik was wat nerveus. Even leek het nog te gaan regenen, maar dat zette gelukkig niet door. En dus vertrokken we om op de brommer Pulau Weh te gaan verkennen.
We waren nogal een attractie onderweg. Tot onze eigen grote verbazing, eigenlijk. Want we hadden, precies tegenovergesteld aan de lokale gewoonte, zelf geen helm op en de kinderen wel, maar of dat nou de reden was? De wegen waren in ieder geval goed begaanbaar, er rijden meer brommers dan auto's en dus houdt iedereen ook rekening met je. Bovendien zijn er niet veel wegen, dus echt verdwalen lukt ook niet. Maar het gaf wel een enorm gevoel van vrijheid: we konden de jungle ruiken, stoppen waar we maar wilden...
Onderweg kwamen we heel wat dieren tegen. Geiten en koeien, maar ook behoorlijk agressieve Makaken, die er geen probleem mee hadden om als een meute wilde honden naar onze blote enkels te happen! Dat was vooral jammer toen we bij Point Zero (ook wel Kilometer Zero genoemd) kwamen, de meest noordelijke punt van Indonesië. Er staat een monument voor dit heugelijke feit, maar omdat er zoveel apen op de weg zaten, stopten we even. Thomas stapte af, werd meteen belaagd, struikelde en werd toen bijna echt aangevallen! De lol was er toen wel af. We zijn omgedraaid (niet dat we verder hadden gekund, de weg langs het monument is een rondweg en daarna moet je weer terug) en op zoek gegaan naar een plek om te eten. Die vonden we juist voor het echt begon te regenen, in Iboih. We kregen bami goreng, erg lekker. Een deur verderop konden we benzine 'tanken': het werd uit een grote ton geschept en met een gieter de tank in gegoten! Twee volle tanks voor 30.000 rupia...
De regen hield niet meer op en we besloten toch maar richting Freddie te gaan. Inmiddels was mijn witte tshirt dermate doorweekt dat ik nergens meer met goed fatsoen binnen kon stappen. Sterker nog: zelfs onderweg werd ik uitgelachen. Enige oplossing: de rugzak voorop dragen. Dat werkte gelukkig.
De rest van de middag hebben we gelezen, spelletjes gedaan en ge-"chelaxed", zoals de jongens het noemen. Morgen weer een dag!
Dag 4: Camel Trophy op Pulau Weh
We begonnen de dag met zon, maar jammer genoeg betrok de lucht al heel snel. Dat leverde problemen op in de ontbijtzaal: lekkage, overal. Maar stoïcijns dweilden Freddies mannen het water op, terwijl Freddie zelf het ontbijt stond te koken, bakken en snijden.
Even over tienen werdeen we opgepikt door Pauliene en Raqay - zij een Nederlandse van Aruba, hij uit Bukittinggi, Sumatra. Erik had haar al gesproken op de ferry, we hadden ze die eerste middag nog gezien op Freddies terras en nu gingen ze met ons een rondje over het eiland doen. Met de auto. We begonnen voorspoedig. Het eerste stukje hadden we al gereden op ons brommertje, alleen nu hoorden we dat die ene heuvel een voormalig Japans fort was, compleet met kanon. Toch leuk om te weten. Het plan was om vervolgens richting haven te rijden. Dat deden we ook, alleen hield ineens de weg op. Dat wil zeggen: de weg veranderde van een keurige asfaltbaan in een duidelijk nog verder te ontwikkelen zandpad. Wij dachten: dat komt zo wel goed. En Raqay ging met zoveel zelfvertrouwen de berg af, dat hij dat haast ook wel gedacht moet hebben. Maar toen hield de weg echt op... Landverschuiving, bomen, modder, de hele reutemeteut. Geen doorkomen aan. Er zat niks anders op dan te draaien en weer bergop te rijden. Jammer genoeg was de auto alleen geen 4WD. We zaten dus vast. Vlakbij een ravijn.
Vooruit. Achteruit. Iedereen eruit, behalve de jongens - en daar was ik natuurlijk niet blij mee, ik zag ze al van de rand afkukelen. En weer die krantenkoppen met de gedachte erbij: wat hadden ze daar dan te zoeken?
Het lukte niet. Graven, stenen zoeken om gaten mee te vullen, duwen... Het lukte niet. Bellen met kennissen van Raqay, bellen met Freddie, maar niemand had een 4WD om ons eruit te trekken. Uiteindelijk besloten de mannen hulp te gaan halen. En daar stonden Pauliene en ik dan. In de jungle. Met de jongens...
Een uurtje later zagen we iemand. Een klein mannetje, dat zorgelijk keek en 'problem, problem' mompelde. Daar had hij natuurlijk gelijk in. Hij verdween weer naar boven, dus wij stuurden Daan achter hem aan. Die gelukkig al weer heel snel terug kwam met het bericht dat onze mannen er ook aan kwamen. Met planken (gesloopt van een verlaten schuurtje in de buurt, hoorden we later).
Op z'n Camel Trophy's werden de planken voor en achter de wielen gelegd. Deze keer fungeerden Pauliene en ik als gewicht voor meer grip. Maar helaas: het leverde alleen een nieuwe manier op om een vuurtje te maken: de banden kregen de planken in de fik. En toen, net toen we het echt allemaal niet meer wisten, kreeg Raqay een briljant idee: de banden een beetje leeg laten lopen. En jawel: dat werkte!
We zijn in de haven gekomen, hebben heerlijke visjes gegeten, zijn bij de Hot Springs geweest (hoef je op zich niet voor om te rijden) en zijn uiteindelijk naar Iboih gereden, waar het water kalm is en je heel goed kunt snorkelen en duiken. Daar hebben we een biertje gedronken en de jongens hebben verbazend goede pannekoeken gegeten. En toen was het tijd om naar huis te gaan en weer lekker te gaan slapen...
Dag 5: eindelijk snorkelen
De zon is er! Meestal dan. Dus gauw ontbijten, vlug brommertjes gehuurd en op naar het strand van Ibioh. We huren snorkels en gaan op pad. De omstandigheden zijn niet zo ideaal als in Rawa. De zee is wilder (ook al zitten we in een baai), er is geen stuk zandstrand om even rustig te beginnen en het koraal zelf is zo goed als morsdood. Maar de vissen... Die zijn er wel, in overvloed en een enorme verscheidenheid! We zien die eerste keer meteen al zeesterren (wat zijn die groot), die ene vis uit Nemo en noem maar op.
Terug op het strand durf ik na het bekijken van de andere mensen (allemaal backpackers) mijn moslim-badoutfit wel uit te trekken en gewoon in bikini verder te gaan. Veel lekkerder. De jongens spelen op het strand en wij genieten van de zon. Dit is nou precies wat we ons bij vakantie voorstellen!
We gaan nog een keer het water in en zie die prachtige vissen die geen zeeduivels zijn en ook geen Portugeze oorlogsschepen, maar ze zijn wel mooi, bruin met wit gestreept en met heel veel scherpe stekels. En bij het diepe stuk komen we heeeeeeel grote vissen tegen, maar we hebben ook geen idee wat voor vissen dat zijn. Thomas heeft problemen met zijn snorkel, dus we gaan maar kort. Het is toch tijd voor de lunch bij Mama's Restaurant. Die ook al heerlijke pannekoeken heeft. Wij eten Chicken Kebab, wat totaal niks met kebab te maken heeft (behalve dan dat het stukjes kip waren) maar wel ontzettend lekker!
Nog meer zon, nog een stukje snorkelen op zoek naar de zeeschildpadden die hier ook schijnen te zitten. We zien ze niet. Thomas heeft nog steeds problemen, dus Thomas en ik stappen halverwege uit. Daan en Erik zoeken nog even verder, maar helaas... de dag loopt ten einde en we moeten terug. We hebben geen zin om in het donker te rijden en Freddie verwacht ons bij het eten. Dat weer heel erg lekker is. Daarna slapen we, een beetje verbrand maar zeer voldaan, weer heel erg lekker.
Dag 6: dansen op de vulkaan
De brommers stonden nog klaar, dus na het ontbijt vertrokken we snel. Want we hadden een missie: het vinden van de vulkaan en de waterval. Dat klinkt makkelijker dan het is, want we hadden alleen een heel globale route-uitleg en twee kaarten die je op z'n vriendelijkst vaag kunt noemen. Maar goed, inmiddels kennen we het eiland natuurlijk als onze broekzak.
En dus misten we de eerste afslag en zaten we voor we er erg in hadden aan de andere kant van het eiland. Omdraaien maar weer en terug naar de eerste de beste geasfalteerde afslag naar rechts. Daar stond wel een bord, maar pas na de afslag, verstopt achter een boom en ook nog eens alleen in Bahasa en dus voor ons onleesbaar. Maar we zagen het als een goed teken en vervolgden onze weg. Die overigens heel erg pas aangelegd was. En ineens was daar, aan onze linkerhand, een wandelpaadje. Zomaar, in the middle of nowhere. Zou dat dan misschien...? Dapper stuurde Erik zijn brommer het pad op. Ik kwam er iets minder dapper (lees: snel) achteraan. En jawel: aan het einde, daar was stinkende modder. Zwavel. Stoom. Wit uitgeslagen bomen. Een vulkaan!
Het was hartstikke gaaf: daar liepen we dan, met z'n viertjes. Verder geen mens in zicht. We klommen steeds hoger, we zagen stenen die gebakken waren door lava, met allemaal broze lagen er omheen en een nog keiharde binnenkant. We voelden de grond onder onze voeten veren - en ook hoe warm die grond was. We zagen poeltjes met kokend, borrelend water. Helemaal leuk!
Jammer genoeg lukte het daarna niet meer om de waterval te vinden en bovendien was het inmiddels erg warm en bijna lunchtijd. Dus stuurden we richting Iboih - nog even tegengehouden door de killer-monkeys, maar met z'n vieren waren we ze de baas.
Op Iboih hebben we lekker gegeten. Daarna zijn we wat verder doorgelopen om nog een ander stukje van het rif te zien. Daan heeft een pijlstaartrog gezien, zegt hij, en zeepaardjes. We wachten op de foto's van de (ouderwetse) onderwatercamera (met filmpje) om dat te bewijzen. Verder zagen we Nemo's Dora, weer veel zeesterren, papegaaivissen en noem maar op.
Op de terugweg werden we, in Sabang nota bene, nog aangehouden door de politie. Wat bleek: de jongens hadden een helm op, maar wij niet en het moest dus andersom (wij helm, jongens niet. Logisch...) De eerste agent keek heel boos en nors, maar gelukkig voor ons sprak hij helemaal geen Engels en had hij een heel wat vriendelijker collega die daar beter mee uit de voeten kon. Die wilde eerst ons paspoort zien. Hadden we natuurlijk niet bij ons, alleen een Nederlands rijbewijs. Daarna wilde hij ons naar het bureau hebben. Ondertussen reden de lokale mensen zonder helm in bosjes om ons heen, maar dat maakte blijkbaar niet uit en het leek me niet het goede moment om hem daarop te wijzen. Dus wij hebben stug volgehouden vriendelijk en naief te zijn. ('Sorry, we wisten het niet, geen idee, kijk, we zetten nu die helm op en laten onze kinderen wel van de brommer stuiteren zonder, maakt niks uit, naar het bureau? hoezo? ons hotel is vlakbij, sorry, we wisten het echt niet!') en uiteindelijk mochten we zonder bekeuring, zonder omkoping en zonder naar het bureau te gaan doorrijden, hebben we heerlijk Zuidafrikaans gegeten en was het weer een goede dag!
Dag 7: chelax!
We hebben dus helemaal niks gedaan, behalve in de zon liggen, in de hangmat hangen, lezen, beetje zwemmen, lekker eten en drinken en schelpen zoeken. Heerlijk. Prima laatste dag!
Dag 8: de weg terug
De wekker ging echt verschrikkelijk vroeg, maar ja, we moesten natuurlijk een boot halen. Dus nog één keer genieten van Freddies ontbijt en toen het busje in, terug naar de haven. Tickets waren geregeld, nu wel voor de snelle ferry. Dat klinkt lekker, maar het ding zat stamp- en stampvol. We hebben dus een uur hutjemutje gestaan, als haringen in een ton. Gelukkig was het nog vroeg en dus nog niet zo heel warm.
Dede stond ons weer op te wachten bij de haven van Banda Aceh en omdat ons vliegtuig pas om zes uur 's avonds vertrok, heeft hij ons rondgeleid door de stad. Eerste bestemming: de powerboat die door de tsunami vier kilometer landinwaarts is neergekwakt, bovenop twee huizen. Midden in een woonwijk. Ongelofelijk, onvoorstelbaar. Vooral als je op die boot staat, om je heen kijkt en je realiseert dat al die voornamelijk houten huisjes dus allemaal weg waren. Vlak bij de boot is een klein mini-museum met de meest verschrikkelijke foto's. Natuurlijk hebben we beelden gezien, maar de enorme, enorme puinhoop die na die golf achterbleef, met waar je ook kijkt tussen het wrakhout overal dode, door het water volledig opgezwollen mensen...
Op 20 februari gaat het officiële Tsunami-museum open. We mochten alvast (tegen een kleine betaling, 'voor de koffie van de bewakers') een kijkje nemen. Die verschrikkelijke foto's gaan dus een plek krijgen in dit prachtige gebouw. Het lijkt me absoluut de moeite waard straks.
Achter het Tsunami-museum ligt het Kerkhof, met de graven van Nederlanders die tijdens de Aceh-oorlog in de 19e eeuw zijn gesneuveld (en de graven van hun vrouwen en kinderen). Volgens mij wordt het bijgehouden door Defensie of door de één of andere Nederlandse stichting, want het ligt er opvallend goed bijgehouden bij. Wonderbaarlijk genoeg liggen alleen de Joodse graven in een ongemaaid hoekje van het kerkhof...
Daarna hadden we wel genoeg dode mensen gezien (vond Thomas) en zijn we naar het Aceh Museum geweest. Het museum zelf was niet heel erg indrukwekkend (wel leuk), maar wij werden door muziek een andere hal in gelokt. Daar waren jongens en (gehoofddoekte) meisjes bezig met dansrepetities - en wij mochten weer kijken! Heel bijzonder. Later bleek dat ze aan het oefenen waren voor de opening van het Tsunami-museum...
Dede bracht ons nog even naar een vissersboot die ook op het dak van een huis terecht is gekomen. Volgens het bord bij de boot op het huis, heeft de boot 56 mensen gered - maar volgens Dede klopte dat niet, en het lijkt ons ook niet zo heel erg logisch. Jammer genoeg sprak niemand die wij over de tsunami spraken genoeg Engels om er echt een duidelijk verhaal van te maken (en toegegeven: wij zouden inmiddels toch eigenlijk al wel iets meer Bahasa moeten spreken dan alleen 'Terimah Kasih')
Na de (meer dan overvloedige) lunch wachtte alleen het vliegveld nog... En toen was een heel bijzondere vakantie alweer afgelopen :-(
Wauw, wat een avonturen zeg!!! Klinkt als een geweldige vakantie. Toch ook blij dat jullie weer veilig thuis zijn ;-).
BeantwoordenVerwijderen